George Spencer

Uit Apowiki


George Spencer (1799–1864)

Father Ignatius of St Paul (1799–1864)

1 Jeugd

George Spencer (vanaf 1848 Pater Ignatius Spencer) werd geboren op 21 december 1799 in Whitehall. Zijn vader George Spencer, de tweede graaf Spencer, was toen First Lord of the Admiralty (1794-1800). Zijn vader is een directe voorvader van de latere prinses Diana Spencer (1961-1997). George was de jongste van acht kinderen. Zijn moeder stierf reeds in 1810.
George bezocht Eton samen met zijn broer Frederick (vanaf 18 mei 1808). Zij woonden in het huis van Reverend Richard Godley. Deze was belangrijk voor Georges spirituele vorming. Met kerstmis 1814 verliet hij Eton en studeerde onder de privé-tutor Charles James Blomber, rector in Duton, Buckinghamshire, een fellow van Trinity College, Cambridge. Daarna studeerde hij aan Trinity College, Cambridge (1817-1819). In 1819 maakte hij de zogenaamde Grand Tour naar Italië en Oostenrijk met zijn ouders. Hij werd diaken op 22 december 1822 en priester in de Anglicaanse kerk op 13 juni 1824, zonder dat hij daarvoor enige vorming van betekenis gehad had. Hij werkte vanaf zijn diakenwijding zes jaar in Great Brington, vlak bij Althorp waar zijn familie woonde. In januari 1825 werd hij pastoor van Brington. Hij evolueert in deze tijd langzaam van High naar Low Church. Zijn inzet voor de parochie was vele malen intenser dan gebruikelijk in die tijd. Hij gaf catechese aan jong en oud en leidde een ascetisch leven. Hij studeerde tussendoor Hebreeuws en de kerkvaders. In april 1827 ontmoette hij de Engelse katholieke priester Dr. John Fletcher die als kapelaan werkte voor Lady Throckmorton.[1] Deze had les gegeven aan priesterstudenten in St. Omer na de Franse revolutie en was in 1795 met de Franse ballingen naarn Engeland teruggekeerd. Na de eerste ontmoeting zagen zij mekaar elf keer voor het einde van 1828 en vermoedelijk ook nog in de loop van 1829.
In oktober 1827 reed hij vanuit Warrington naar het huis van een zekere Eleanor Powys die hij ten huwelijk wilde vragen, en die zeker met hem had willen trouwen. Onderweg overwoog hij 1 Kor 7,32-33: "Wie niet getrouwd is, heeft zorg voor de zaak des Heren, hoe hij de Heer kan behagen. Maar de getrouwde heeft zorg voor aardse zaken, en wil zijn vrouw behagen". Onderweg, in Brington, maakte hij rechtsomkeer en nam het voornemen om nooit te trouwen.

2 Bekering

Op vrijdag 23 november 1827 ontving hij een anonieme brief uit Rijsel (Frankrijk). Pas jaren later kwam hij weten wie de schrijver ervan was. De brief kwam van een zekere Miss Doling - die hij overigens nooit zou ontmoeten -. Zij schreef dat zij als Anglicaanse in Frankrijk verbleef en zich aangetrokken voelde tot de katholieke Kerk en dat zij op zoek was naar de redenen om niet katholiek te hoeven worden. Deze vraag werd voor Spencer het begin van een hele reeks ontwikkelingen. Hij ontdekte zo dat hij heel wat geloofspunten van de Anglicaanse kerk niet kon verantwoorden.[2] Ongetwijfeld heeft hij met de eerder vermelde John Fletcher, die in deze jaren een aantal werken over deze materie publiceerde[3], over deze themata gesproken.
Hij ontmoette Fr. William Foley, de katholieke missionaris in Northampton[4] in 1828 en in diens huis leerde hij in de loop van 1829 de bekeerling Ambrose Phillipps de Lisle kennen die grote invloed zou hebben op zijn eigen bekering. Bij hun eerste ontmoeting spraken de Lisle en hij vijf uur over het geloof.
De anonieme brief confronteerde Spencer, behalve met zijn eigen beperkingen, ook met de zwakte van de anglicaanse positie in het algemeen.[5] de Lisle nodigde hem uit om op maandag 25 januari 1830 naar zijn huis in Garendon Park te komen voor een week vakantie. De dag voor zijn vertrek, op 24 januari, preekte Spencer nog in zijn eigen parochie in Brington. Aan hun gesprekken in Garendon Park namen ook anderen, allen protestanten, deel o.a. de Lisles vader en Henry Ryder de bisschop van Lichfield ([Ambrose Phillipps de Lisle|de Lisles]] oom).
Spencer werd er opnieuw geconfronteerd met hoe zwak de zaak van de Anglicaanse zaak eigenlijk was en hoe overtuigend de argumenten van de Lisle waren.
Op 29 januari 1830 de voorlaatste dag van de vakantie zetten zij hun conversatie verder in Hinckley, Leicester bij Fr. Benedict Caestryck, een voor de Fransen gevluchte Belgische Dominicaan. De volgende dag reeds werd hij daar door Caestryck in de katholieke Kerk opgenomen.

3 Rome

Spencer meldde zich op 2 februari 1830, samen met Ambrose bij zijn bisschop Thomas Walsh, toen apostolisch vicaris van het Midland District. Hij gaf te kennen dat hij graag priester wilde worden. De bisschop vond echter dat hij eerst degelijk theologie diende te studeren en zond hem daarop naar Rome naar het Engels College bij Wiseman.
Tot zijn vertrek naar Rome verbleef Spencer bij Caestryck, die hem behoorlijk onderricht gaf. Hij vertrok op 28 februari 1830 en kwam op 11 maart aan. Hij reisde samen met Ambrose Phillipps de Lisle. In Parijs ontmoetten zij de bekeerling Kenelm Digby, een studievriend van de Lisle uit Cambridge.
In Rome trok Spencer m.n. op met rector Wiseman en vice-rector George Errington. Hij studeerde bij hen, eerder dan naar de publieke lessen te gaan.
In Rome leerde hij al snel Thomas Weld kennen die op 15 maart 1830, vier dagen na de aankomst van Spencer, kardinaal gecreëerd werd. Spencer was slechts enkele dagen in Rome toen Letitia Trelawney hem vroeg om te tolken tussen haar vader Harry Trelawney en Domenico Barberi. Zo leerden Spencer en via hem de Lisle Domenico Barberi kennen, met wie zij een blijvende vriendschap sloten. Maandenlang ontmoetten zij mekaar bijna dagelijks in de tuin van de kerk San Giovanni e Paolo op de Monte Coelio. Spencer werd diaken gewijd op 17 december 1831 en priester op 26 mei 1832.

4 Werk in Engeland

Op de terugreis naar Engeland, na zijn wijding, verbleef hij omwille van een uitblijvende stoomboot een week bij Barberi in Lucca, waar ook de Trelawneys verbleven.
Terug in Engeland werkte hij als priester korte tijd in Walsall en dan in het ernaast gelegen West Bromwich. Dit zijn plaatsen tegen de buitenwijken van Birmingham aan. Hij opende drie scholen, bouwde een kapel in West Bromwich en een kerk in Dudley. Hij gaf veel onderricht en maakte veel bekeringen.

5 Gebed voor de eenheid

In oktober 1838 verbleef hij twee weken in Parijs met Ambrose Phillipps de Lisle. Tijdens dit verblijf ontstond in samenwerking met de aartsbisschop van Parijs Hyacinthe-Louis de Quélen (1778-1839) het idee om te beginnen aan een Crusade of Prayer for the Conversion of England. Ambrose Phillipps de Lisle en hij zetten zich behoorlijk in voor dit initiatief. Dat veel steun vond. Onder de Franse bisschoppen was Mgr. Forbin-Janson (1785-1844) van Nancy hun belangrijkste steun.[6] In Engeland kon de beweging met name op de enthousiaste steun van Wiseman rekenen. Ook Nederlandse kloosters en seminaries sloten zich aan bij deze gebedsactie.
Vanaf nu was dit gebed voor de eenheid een belangrijk gegeven in zijn werk. Hij was overigens een begenadigd predikant en wist velen tot bekering te brengen. Zijn tijdgenoten waren m.n. onder de indruk van zijn voorbeeldig leven en zijn opmerkelijke gave voor een geestelijk gesprek.
Vanaf mei 1839 was hij geestelijk leidsman van de jongens (ca 140, waarvan 30 (klein)seminaristen) in Oscott. Vanaf 1826 was overigens Henry Weedall president van Oscott.
Een behoorlijke domper op zijn werk was dat bisschop Baines het publieke gebed voor de eenheid verbood in zijn vastenbrief van 24 februari 1840.[7]

6 Ontmoeting met Newman

Op 8 januari 1840 bezocht Spencer Oxford.[8] De uitnodiging kwam van William Palmer of Magdalen die in Frankrijk Mrs. Louisa Canning, een nicht en correspondente van Spencer, had ontmoet.[9] In Oxford ontmoette hij die dag Newman en sprak ongeveer een uur met hem in zijn kamer in Oriel. Toen het gerucht van Spencers aanwezigheid zich verspreidde weigerde Newman vervolgens met hem te dineren in de hall van Magdalen College. In een brief van 9 februari 1840 aan Spencer geeft hij een verklaring van zijn gedrag en in zijn Apologia in 1864[10] maak hij daar nogmaals zijn excuses voor.
In hun gesprek verzocht Spencer Newman om zich aan te sluiten bij het gebed voor de eenheid. Immers veel katholieken in Frankrijk, Nederland, enz. baden voor de Anglicanen, m.n. op donderdag. Hij vroeg of de Anglicanen niet hetzelfde zouden willen doen voor de katholieken. Alhoewel Newman dit niet verkeerd vond sloot hij zich toch niet aan bij dit gebed voor “unity in truth”.
Dat deze ontmoeting voor Newman meer betekende dan de zoveelste vluchtige bezoek blijkt wel uit het feit dat hij erover schrijft en meer nog wat hij erover schrijft in diverse brieven in de eropvolgende dagen, o.a. aan Pusey, Manning en Frederic Rogers.[11] In de Apologia schreef hij later hierover: "So glad in my heart was I to see him (Spencer) when he came to my rooms, ... , that I could have laughed for joy; I think I did; but I was very rude to him, I would not meet him at dinner, and that, (though I did not say so,) because I considered him “in loco apostatae” from the Anglican Church, and I hereby beg his pardon for it." [12] Het is duidelijk dat Newman een hoge dunk van Spencer had.

7 In Oscott

Diverse keren kwam Spencers naam voor op de lijst van de priesters die men capabel achtte om bisschop te worden. Op 8 juni 1840 werd Wiseman bisschop en benoemd als hulpbisschop van Thomas Walsh, de apostolisch vicaris van de Midlands. Tevens werd hij president van Oscott. In de komende tijd zou Oscott een plaats van grote betekenis en activiteit in de Engelse katholieke kerk worden.[13]
Op 7 oktober 1841 kwam Spencers Romeinse vriend, de passionist Domenico Barberi, met een Ierse medebroeder Amadeo McBride naar Oscott. Zij verbleven er tot 17 februari 1842 toen ze verhuisden naar hun nieuw klooster in Aston Hall, bij Stone in Staffordshire.
In juli 1842 reisde Spencer naar Ierland met de bedoeling geld in te zamelen voor een nieuw te stichten missie in Cambridge. Omdat de Ierse bisschoppen dit niet steunden trok hij rond om steun te vinden voor het gebed voor de bekering van Engeland. Tot zijn niet geringe verbazing werd hij in deze krachtig en van harte gesteund door aartsbisschop McHale (1791-1881), de aartsbisschop van Tuam, en man die bekend stond omwille van zijn anti-Engelse overtuiging. Hij nodigde Spencer zelfs uit om hierover te preken.
Hij ontmoette in Ierland Fr. Theobold Mathew (1790-1856) alom bekend vanwege zijn actie ter bevordering van geheelonthouding (begonnen in april 1838), ter bestrijding van de enorme drankzucht in Ierland. Wie tot de "Cork Total Abstinence Society" wilde toetreden moest beloven nooit nog een druppel alcohol aan te raken. Deze belofte werd bekend als "The Pledge". In 1845 hadden drie miljoen Ieren de "Pledge" afgelegd, dat is meer dan de helft van de hele volwassen bevolking. Ook Spencer legde deze belofte af en zou in de loop van zijn eigen toekomstige missies meer dan 60 duizend keer de belofte afnemen. Het effect van dit werk was dat de misdaadcijfers in Ierland zo goed als halveerden tussen 1839 en 1846.[14]

8 Rondreis op het continent

In mei 1844 was Spencer ziek en moest hij op doktersadvies drie maanden rust nemen. Hij vertrok op 3 juli 1844 samen met Ambrose Phillipps de Lisle en twee van diens zonen naar het continent. Zij reisden per trein en met de paardenkoets van de Lisle. Deze koets werd voor de lange trajecten, zoals toen gebruikelijk was op de trein gezet. Het zou hier te ver voeren om de reis gedetailleerd te beschrijven.[15] Echter overal waar hij kwam in België, Italië of Oostenrijk zette hij zich in voor het gebed voor de bekering van Engeland. Zijn hoge komaf opende nogal wat deuren. In Brussel ontmoette hij de nuntius Pecci, de latere paus Leo XIII (1878-1903). Hij mocht de Belgische bisschoppenconferentie toespreken en deze steunde van ganser harte zijn gebedsactie.
Leo XIII zou in 1895 een apostolische brief publiceren "Ad Anglios", waarin hij de woelige geschiedenis van katholiek Engeland memoreert en zelfs deze ontmoeting met Spencer en diens oproep te bidden voor de bekering van Engeland vermeldt.

9 Terug in Oscott

Kennelijk is hij op 17 oktober 1844 terug in Oscott. In september 1845 schreef Spencer weer naar Newman. Dit was kort voor diens bekering op 9 oktober 1845. Het was gedeeltelijk een excuse waarom hij niet op een brief van Newman - die hij overigens niet ontvangen had - geantwoord had. Hij schreef in deze brief ook dat hij Newmans weigering om hem publiek te ontvangen niet als een belediging had opgevat, en dat hij snapte dat dit voortkwam uit Newmans principes.
De pasbekeerde Newman kwam op vrijdag 31 oktober 1845 aan in Oscott en biechtte bij Spencer. De volgende dag ontving hij aldaar samen met Frederick Oakeley en twee anderen het vormsel uit handen van Wiseman. In de eropvolgende tijd verbleef Newman meestal in Oscott.
De kwaliteit van de opleiding in Oscott liet in deze periode onder Wiseman,[16] die continu afwezig was veel te wensen over.

10 Passionist

In de zomer van 1846 besloot Spencer in te treden bij de passionisten. Hij verliet Oscott op 21 december 1846 en trok naar Aston. Op 5 januari 1847 ontving hij het habijt van de passionisten en werd vanaf zijn tijdelijk gelofte in januari 1848 Ignatius of St. Paul genoemd. Hij werd vrijwel meteen op bedeltocht gestuurd in diverse grote Engelse steden. Op 4 augustus werd hij teruggeroepen door Barberi om overste te worden in Aston in plaats van de overleden Fr. Constantine. Hij werd naar Ierland gestuurd om les te geven in het seminarie in Carlow en te preken bij een aantal zusterkloosters. Overal waar hij was, bleef hij vragen voor gebed voor Engeland. Hij bedelde en preekte op diverse plaatsen in Ierland en vervolgens maakte hij diverse tochten door Engeland.

10.1 Overste

Op 14 augustus 1849 dineerde hij samen met Barberi, Wiseman, Frederick William Faber en de oratorianen in Londen. Daarna trok hij naar België en Nederland om te bedelen en novicen te zoeken. Terwijl hij in Doornik verbleef bereikte hem het bericht van de dood van Barberi op 27 augustus 1849. Hij kon het aanvankelijk niet geloven. Bijna twee weken later las hij een bericht in de krant en pas op 13 september was hij terug in Londen, waar Wiseman hem meedeelde dat Barberi hem tot overste benoemd had. Zo werd hij overste van de drie huizen van de passionisten in Engeland en één in België. Het was voor hem niet gemakkelijk, omdat veel passionisten geen Engelse achtergrond hadden en heel andere gewoonten en omgangsvormen hadden en daardoor het Engelse volk niet begrepen. Bovendien waren deze stichtingen nog heel jong en fragiel.

10.2 Het gebed voor de de eenheid

Hij bleef zich inzetten voor het gebed voor de eenheid. Paus Pius IX had evenwel bedenkingen omdat het verkeerd uitgelegd zou kunnen worden. Spencer bleef zich inzetten voor deze zaak en was vaak erg gefrustreerd door de desinteresse die hij m.n. in Engeland tegenkwam en verdachtmakingen door sommigen.[17]
In 1850 gaven de ontwikkelingen rondom de zogenaamde Gorham-case hem hoop. Het bracht Manning en een reeks anderen tot de katholieke Kerk.
Eind september leidde het herstel van de hiërarchie in Engeland tot anti-katholieke rellen. Ook hijzelf in zijn habijt werd lastig gevallen en zelfs aangevallen.
Hij werkte vanaf 1849 tot juni 1852 tussen zijn andere taken door aan de vertaling van Gaetano da Bergamo's (1672-1753): Pensieri ed Affetti. Het verscheen als Thougths and Affections on the Passion of Christ....
Hij bleef zich inzetten voor het gebed voor de bekering van Engeland. De nieuwe aartsbisschop van Ierland Paul Cullen sloot zich daarbij aan en riep op tot gebed voor deze intentie in zijn vastenbrief van 1851. Met Cullens goedvinden stuurde Spencer een copie van deze brief naar de Franse, Belgische en Nederlandse bisschoppen. Dit enkel ter illustratie van de vele acties en energie die hij aan dit doel besteedde.
Op zijn tochten bezocht hij ook premier Lord John Russell[18] en sprak met hem over zijn gebedsactie voor de bekering van Engeland. Als privé-persoon stond Russell niet afwijzend hiertegenover. Spencer bezocht ook andere ministers en hooggeplaatsten. Hij ontmoette hierbij ook de nodige afwijzingen en moest een keer gered worden van het volk door een winkelier anders was hij gemolesteerd.
In 1851 was hij op bedeltocht in Frankrijk en België en trok tot Keulen. Van 26 augustus tot 2 september 1851 was in St. Wilfrid's bij het eerste kapittel van de Belgisch-Engelse provincie van de passionisten. Hier werd besloten dat Spencer eerst naar Rome zou gaan om goedkeuring te vragen om verder te gaan met zijn actie voor het gebed voor de eenheid. Op 4 september vertrok hij daarom naar Rome.
De kwestie van het dragen van het habijt kwam aan de orde. Men besloot om in de stad en tijdens reizen de gewone priesterkleding te dragen. Men drong er niet op aan dat Spencer dat ook zou doen en men legde deze vraag voor aan het bestuur in Rome. Spencer blijkt zich geconformeerd te hebben aan het besluit van het kapittel en doet vervolgens zoals de anderen.

10.3 Bij Pius IX

Spencer was in Rome bij de Propaganda Fidei en werd op 16 september 1851 een half uur lang in privé-audiëntie ontvangen door Pius IX. De paus steunde zijn gebedsactie maar zei hem ook dat hij als vader van alle Christenen, niet exclusief voor Engeland kon laten bidden. Dank zij een privé-ontmoeting met Mgr. Barnabò in het College van de Propaganda kon hij veel vooroordelen wegnemen. Barnabò, die in 1856 kardiaal zou worden, had zich iets laten ontvallen in de zin van: "dat als Engeland zich bekeert dat wij (de R.K. Kerk) de halve of zelfs de hele wereld zouden winnen". Waarop Spencer antwoordde: "Waarom zouden wij het niet proberen?"
Spencer kreeg vervolgens een aanbevelingsbrief van de kardinaal-prefect van Propaganda, Giacomo Filippo Fransoni[19] bestemd voor alle bisschoppen, apostolisch vicarissen en oversten in de missie met het verzoek om Spencer te steunen. Eenzelfde aanbevelingsbrief kreeg hij van kardinaal-prefect van de congregatie voor bisschoppen en priesters, Antonio Francesco Orioli (1778-1852). Spencer kreeg pas na herhaald aandringen van de paus persoonlijk permissie om protestanten te vragen om te bidden voor de eenheid. Kardinaal Fornari werd aangewezen als beschermheer van zijn werk.

11 The Second Spring

Op de terugtocht van Rome, via Oostenrijk, Slovenië, Tsjechië en Duitsland ontmoette hij heel veel hooggeplaatste wereldse en kerkelijke personen. Hij legde zijn zaak zelfs persoonlijk voor aan de Oostenrijkse keizer Franz-Joseph. Op 1 april 1852 was hij terug in Londen en ging naar het passionistenhuis in the Hyde. Spencer was altijd ongelukkig geweest met de keuze van deze plaats en het eerdere besluit om er een kerk te bouwen.
Op 17 juni 1852 las hij dat de koningin de weg op het verbod op het dragen van religieuze kleding en processies had goedgekeurd. Hij moest vervolgens verkleed als zeeman verder reizen.
Op donderdag 24 juni bespraken de passionisten in Aston de gevolgen van deze nieuwe wet. Spencer droeg vervolgens burgerkleren met zijn habijt over de schouder geslagen.
Op 3 juli 1852 feliciteerde hij Newman per brief met de uitkomst van de Achilli-proces.
Hij ontmoette Newman bij de eerste provinciale synode in Oscott waar deze op 13 juli zijn beroemde preek The Second Spring hield. Tijdens deze synode ijverde hij voor het gebed voor de bekering van Engeland.
Hij reisde en preekte veel, maar in deze periode was zijn belangrijkste taak de parochie in the Hyde en de Barnet missie die een enorm gebied besloeg.
Op 1 mei 1853 werd Paulus van het kruis, de stichter van de passionisten, zalig verklaard door Pius IX.

12 Kleine missies

In de zomer werd door Fr Pius Cayro, de generale consultor van de congregatie de Engelse provincie gescheiden van de Franse, Belgisch en Nederlandse huizen. Zo ontstond de nieuwe Engelse provincie. Cayro sloot tot verbijstering van iedereen Aston Hall, de eerste vestiging van de passionisten in Engeland en verhuisde het noviciaat van Broadway naar St. Wilfrid's, Cotton Hall in Staffordshire.
Deze situatie duurde maar enkele maanden en het noviciaat verhuisde terug naar Broadway, Worcestershire. Cayro benoemde nieuwe oversten. Vincent Grotti werd provinciaal. Spencer was niet langer overste van the Hyde maar werd "eerste consultor", adviseur van de provinciaal.
Op 17 november 1855 verhuisde Spencer naar het passionistenklooster in Sutton (St. Hellens) bij Liverpool.
Hij gaf retraites en missies in Ierland en Engeland.
Het gaat hier te ver om al zijn reizen, initiatieven en ontmoetingen te schetsen.
Vanaf 21 juni 1858 koos hij voor een andere aanpak, hetgeen hij "kleine missies" noemde. Dit werd mede mogelijk gemaakt door het groeiende spoorwegnet dat snellere verplaatsingen toestond.
Een "kleine missie" duurde in de regel drieëneenhalve dag, met twee preken per dag en voor de rest vooral biechthoren. Deze methode stelde hem in staat om meer parochies dan voorheen te bezoeken. Als hij het opportuun achtte werd zo een missie wel eens tot een week verlengd. Vanaf juni 1858 tot zijn dood in september 1864 gaf hij 145 van deze missies. Hij stierf onderweg naar de 146ste.

13 Passionistinnen

In deze laatste periode van zijn leven werkte hij ook mee aan de stichting van de passionistinnen. De zusters van het H. Kruis en het Lijdne. De groep begon in 1851 met Elizabeth Prout (1820-1864) en Fr. Gaudentius Rossi (1817-1891). Hun belangrijkste zending was onderwijs en zorg voor fabrieksmeisjes. In 1855, toen Rossi naar Amerika gezonden werd, nam hij op verzoek van Rossi de geestelijke leiding en begeleiding van de passionistinnen over.

14 Het einde

In de laatste jaren van zijn leven had hij hartproblemen en de artsen waarschuwden hem dat hij daar waarschijnlijk ook aan zou sterven.
Op 7 juli 1864 schreef hij Newman naar aanleiding van diens Apologia en hij vroeg hem of hij ook in Birmingham een "kleine missie" mocht houden. Newman stond dat toe en deze werd voorlopig voor eind oktober gepland.[20] In augustus en september 1864 gaf hij missies in Schotland. Op 1 oktober 1864, tijdens een van zijn bedeltochten stierf hij onverwacht aan een hartinfarct. Hij was die ochtend om 10.35 uur op het station van Carstairs Junction en wilde daar de trein van 11.50 naar Edinburgh nemen. Hij gaf zijn bagage in bewaring en wilde een onverwacht kort bezoek brengen aan Robert Monteith (zijn petekind) die een halve mijl van het station woonde. Op weg daar naartoe nam hij een pad dat van het huis wegvoerde. Hij vroeg een kind de weg en ongeveer honderd meter voor de voordeur zakte hij in elkaar en stierf om 11.00 uur. Hij werd drie dagen lang in zijn habijt opgebaard in de huiskapel. Zijn uitvaart was op 5 oktober. Bisschop Ullathorne verzorgde de preek. Hij werd begraven in de St. Annakerk in Sutton, Lancashire naast Domenico Barberi en Elizabeth Prout (1820-1864), de stichtster van de passionistinnen.
Hij is eerbiedwaardig verklaard in 2016.

15 Literatuur

  • A Short Account of the Conversion of the Hon. and Rev. George Spencer to the Catholic Faith. Written by himself, in the English College at Rome, in the year 1831.. Zie: tekst hier te vinden.
  • Gerard Skinner, Father Ignatius Spencer. English Noble and Christian Saint, Leominster, Gracewing, 2018.

16 Voetnoten

  1. Catherine Stapleton (c.1770-1775–1839)
  2. Uitgewerkt: Skinner 109-129. Het verhaal achter de brief is dat waarschijnlijk de anglicaanse bisschop Howley van Londen, haar met haar vragen had verwezen naar Spencer.
  3. O.a. Thoughts on the Rights and Prerogatives of the Church and State; with some observations upon the question of Catholic Securities, London, 1823; Comparative View of the Grounds of the Catholic and Protestant Churches, London, 1826 en The Difficulties of Protestantism, London, 1829 (herdruk 1832)
  4. Deze werkte hier vanaf 1823. In 1825 bouwde hij er de Sint Andreas kapel.
  5. Zie o.a. Purcell, Life and Letters of Ambrose Phillipps de Lisle, edited and finished by Edwin De Lisle, 2 vols., London, 1900, 38-47.
  6. Hij bezocht ook Charles-Éléonore Dufriche-Desgenettes (1799-1860) pastoor van Notre-Dame-des-Victoires die met zijn "Aartsbroederschap van het Onbevlekt Hart van Maria" veel bekeringen wist te bewerken. De broederschap bad vervolgens ook voor de bekering van Engeland.
  7. Omwille van dit en andere uitspraken in deze vastenbrief werd deze bisschop overigens naar Rome ontboden. Vgl. Skinner, 232-244.
  8. Zie voor uitgewerkte info: Skinner, 251-274.
  9. Zij is ook de weldoenster van Barberi in Boulogne.
  10. Apo. 124
  11. L.D. vii, 203, 205-6, 209-11, 214-5, 228, 233-5, 241-2, 301, enz. en uitgewerkt in: Skinner, 260-271.
    Waarschijnlijk ontgaat een 21ste eeuwse lezer de impact die uitging van een iemand van de hoogste adel die katholiek geworden was en in Oxford op bezoek kwam.
  12. Apo. 124.
  13. Henry Weedall, president van Oscott vertrok. Hij was benoemd als bisschop voor het Northren District, maar wist Rome te bewegen deze benoeming in te trekken. In 1853 keerde hij terug toen Oscott een moeilijke periode kende. Hij bleef tot zijn dood in 1859.
  14. Skinner 290.
  15. Skinner, 299-313.
  16. Zoals vermeld vanaf 1840 tot 1853 was Henry Weedall geen president.
  17. Skinner, 347-3499.
  18. Deze had in 1847 de Factory Act door het parlement gekregen, waardoor de werkomstandigheden en sanitaire voorzieningen voor arbeiders behoorlijk verbeterd werden.
  19. Degene die Newman gewijd had.
  20. Skinner, 417.