De ontwikkeling van de leer over de H. Drie-eenheid

Uit Apowiki

Ga naar: navigatie, zoeken
Geen pagina gevonden!

Deze pagina is een samenvatting van de uitgebreide les die over dit onderwerp geplaatst wordt op het subdomein voor de cursisten.

Inhoud

1 Inleiding.

De Kerk gelooft in de H. Drievuldigheid of H. Drie-eenheid. Beide woorden zijn synoniemen. D.w.z. er is één God maar in God zijn er drie personen: Vader, Zoon en H. Geest. Elk van deze drie bezit het (éne) goddelijke wezen.

2 De H. Drievuldigheid in de Schrift.

In het O.T. is er geen duidelijk bewijs voor het mysterie van de Drievuldigheid te vinden. Wel is vanaf het begin duidelijk het geloof in de éne God aanwezig. Er zijn teksten die achteraf door kerkvaders als verwijzend naar de Drie-eenheid geduid worden.

  • Zoals Gen. 1,26: “Nu gaan Wij de mens maken”. Vgl. Ireneüs, A.H. IV, 20,1. Hetgeen echter een pluralis majestatis is.

In het N.T. openbaart God zich als Vader, Zoon en H. Geest. Het N.T. spreekt over de Vader (God) die zijn Zoon of Woord, Jezus, naar de wereld zendt. Jezus heeft het voortdurend over God Zijn Vader.

  • Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand kent de Zoon tenzij de Vader, en niemand kent de Vader tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon het wil openbaren” (Mc. 11,27)
  • "Ik en de Vader, wij zijn één” (Joh. 10,30).

Jezus’ zoon-van-God-zijn blijkt uit Zijn wonderen en vóór alles door Zijn verrijzenis. Johannes noemt Hem ook het Woord en drukt op deze manier de band tussen Vader en Zoon uit:

  • In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God” (Joh. 1,1).

De H. Geest is een aparte persoon die door Vader en Zoon gezonden wordt. Hij geeft wijsheid en inzicht aan de gelovigen.

  • Vgl. “Wanneer de Helper komt, die Ik u van de Vader zal zenden, de Geest der waarheid die van de Vader uitgaat, zal Hij over Mij getuigenis afleggen” (Joh. 15,26).

In het N.T. is het geloof in de Drievuldigheid nog niet expliciet, maar impliciet duidelijk aanwezig. Zo vinden we diverse formules die de eerste “geloofsbelijdenissen” zijn. Hierin is zeer vaak sprake over Vader en Zoon.
We zouden dit tweeledige geloofsbelijdenissen kunnen noemen:

  • 1 Kor. 8,6: “toch is er voor ons maar één God, de Vader, uit wie het al voortkomt en voor wie wij bestemd zijn, en één Heer, Jezus Christus, door wie het al bestaat en wij in het bijzonder.”
  • 1 Tim. 2,5: “God is één, één is ook de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus
  • 1 Tim. 6,13: “voor het aanschijn van God die alles ten leven wekt, en van Christus Jezus...”
  • 2 Tim. 4,1: “Ik bezweer u voor het aanschijn van God en van Christus Jezus die levenden en doden zal oordelen”.

Bij Paulus vinden we drieledige begroetingen, die duidelijk reeds een vaste uitdrukking waren, bv.

  • 2 Kor. 13,13: “De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de heilige Geest zij met u allen.”
  • 1 Kor. 6,11: “gij zijt geheiligd, gij zijt gerechtvaardigd in de naam van de Heer Jezus Christus en door de Geest van onze God.”
  • 1 Kor. 12,4-6: “Er zijn verschillende gaven, maar slechts één Geest. Er zijn vele vormen van dienstverlening, maar slechts één Heer. Er zijn allerlei soorten werk, maar er is slechts één God, die alles in allen tot stand brengt.”

De eenheid van deze drie personen wordt ook voortdurend bevestigd in het N.T., bv.

  • Mt. 28,19: “Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest”;
  • 1 Pet. 1,2: “krachtens de voorbeschikking van God de Vader in de heiliging van de Geest tot gehoorzaamheid en besprenkeling met het bloed van Jezus Christus.”

Bij al deze teksten waarin er sprake is over “drie” gaat het niet over een soort geloofsbelijdenis en is er ook geen spoor van karakteristieke en vastliggende uitdrukkingen die gebruikt worden. Maar een trinitair grondplan is er wel in te herkennen. Nog enkele voorbeelden uit de evangelies en Handelingen, waarin sprake is van de drie goddelijke personen (zoals ze later genoemd zullen worden):

  • In de toespraak van Petrus op Pinksteren (Hand. 2,22-36) is er sprake van Vader, Zoon en H. Geest.
  • de boodschap aan Maria: “De H. Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God.”(Lc. 1,35)
  • Bij de doop door Johannes: “geschiedde het dat de hemel openging en de heilige Geest, in lichamelijke gedaante als een duif, over Hem neerdaalde, en een stem uit de hemel sprak: ‘Gij zijt mijn Zoon, de welbeminde, in U heb ik mijn behagen gesteld.’” (Lc. 2,21-22)

3 Het geloof van de jonge Kerk in de H. Drievuldigheid.

3.1 Vóór het concilie van Nicea (325).

De jonge Kerk gelooft in één God in drie personen. De terminologie die de Kerk na de grote concilies (4e en 5e eeuw) van de oudheid gebruikt in haar spreken over God: persoon, wezen, substantie, enz. kenden zij nog niet. De geciteerde teksten uit het N.T. geven aan dat, ook al wordt er niet direct over Drie-eenheid gesproken, de drievoudige manifestatie van God vanaf het begin diep in de Christelijke geest verankerd lag. Deze gedachte vinden we heel duidelijk ook bij de kerkvaders. Tegelijk is het monotheïsme van alle kerkvaders overduidelijk!

3.1.1 De apostolische vaders.

De oudste kerkvaders of apostolische vaders hebben al bepaalde stereotiepe formules, bv. uit de doopliturgie, vgl. Didachè (100-150) “Wat betreft het Doopsel, doopt aldus: na onderwezen te hebben al wat voorafgaat, doopt in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in stromend water.” Deze vaders vermelden de drie personen en hun taken, maar houden zich niet bezig met het nadenken over de relatie tussen deze personen. Bv. Clemens (ca 95): “Hebben wij niet één God, en één Christus en één Geest van Genade”.

Ignatius van Antiochië (+110) heeft drie maal een trinitaire formule “Weest onderdanig aan de bisschop en aan elkander, zoals Jezus Christus naar het vlees aan de Vader en de apostelen aan Christus en aan de Vader en de Geest, opdat er eenheid zij naar het vlees en naar de geest”. Bij Ignatius staat Christus centraal. Hij wordt zelfs genoemd “de vleesgeworden God”, “God die zich als mens manifesteert”. Hij was in de geest verenigd met de Vader/ Zijn goddelijk zoonschap begint bij de menswording. Maar als men zijn hele werk bekijkt is het duidelijk dat de Zoon van eeuwigheid bestaat (pre-existentie) en hij veronderstelt een wezenlijk verschil tussen de Vader en de Zoon. Hij heeft nauwelijks één tekst waarin de persoon van de H. Geest wordt genoemd.

Bij Ignatius en bij Justinus (ca 100-165/6) beginnen we gestandaardiseerde uitdrukkingen aan te treffen. Deze komen voort uit de dagelijkse praktijk van catechese, liturgie, verkondiging, enz. De centrale thema’s van deze vaders zijn: God heeft Zijn Zoon gezonden, Jezus is de Messias, Hij is voor ons gestorven en verrezen op de derde dag. Hij is opgestegen ten hemel en zal wederkeren om ons te oordelen.

Het Martyrium Polycarpi (ca 157-170): “Daarom ook prijs ik U boven allen, loof ik U, verheerlijk ik U door de eeuwige en hemelse hogepriester Jezus Christus, Uw geliefde zoon, door Wie de heerlijkheid zij aan U, met Hem en de Heilige Geest, nu en tot in de komende eeuwen. Amen.” (14,3)

Samenvattend: er is geen sprake van een leer van de Drievuldigheid in strikte zin, wel hebben de trinitaire formules uit het N.T. hun sporen nagelaten. We vinden er ook de pre-existentie van Christus (die we ook bij Joh. en Paulus vinden), evenals zijn werken in schepping en verlossing.

3.1.2 De apologeten en eerste kerkvaders over het Woord.

Ook de apologeten kennen de drieledige geloofsbelijdenis. Zij probeerden als eersten op een intellectueel bevredigende manier de relatie tussen Vader en Zoon te verduidelijken. Hun oplossing van het vraagstuk God, was kort samengevat, Christus is de gedachte/geest/verstand van God. Ze gebruikten het beeld van het Woord van God (logos). Terwijl zij uitgaan van teksten uit de openbaring zoals Joh. 1,1 en Ps. 33,6 (“Door zijn woord zijn de hemelen gemaakt”) gebruiken, gebruiken ze ook de technische distinctie van de Stoa (en platonisme) tussen het gedachte woord en het gesproken woord.

Justinus ziet Jezus als het Woord (Logos). Hij ziet de Logos als het verstand of de gedachte van de Vader. Justinus leerde dat de Logos niet enkel in naam maar ook “wat betreft het getal” verschilt van de Vader. Tegenover de Joden benadrukte hij dat het Woord onderscheiden is van de Vader. Hij beroept zich hierbij op teksten uit het O.T.: (1) in de zogenaamde verschijningen van God, bv. aan Abraham bij Mamre (Gen. 18), waaruit hij afleidt dat er “beneden de Schepper van alle dingen, een Ander is, die God en Heer genoemd wordt”, want het is ondenkbaar dat de “Meester en Vader van alle dingen alle hemelse bezigheden zou hebben verlaten en zichzelf zichtbaar gemaakt zou hebben in een afgelegen hoek van de wereld”; (2) door te verwijzen naar teksten zoals Gen. 1,26 “Laten wij de mens maken...”, waarin God als een sprekende persoon met een ander redelijk wezen wordt gepresenteerd en (3) de teksten over de wijsheid, zoals Spr. 8,22: “Jahwe schiep mij aan het begin van zijn wegen, nog voor zijn werken.”), immers de maker is onderscheiden van wat Hij voortbrengt.

Zo is de Zoon die voortgebracht is door de Vader, met Hem vóór alle schepselen en de Vader sprak met Hem. Hij is goddelijk, want Hij is “het Woord en de eerstgeborene van God. Hij is ook God” “Hij is God en we aanbidden en beminnen Hem naast God, wetend dat Hij omwille van ons mens geworden is”. Behalve bij de incarnatie is het Woord ook degene die namens de Vader handelt bij het scheppen en ordenen van de wereld en is Hij het die de mensen de waarheid moet openbaren.

Terwijl andere dingen geschapen zijn is het Woord Gods een/de nakomeling, kind en enige Zoon: “God heeft vóór alle schepselen, in het begin, een redelijk kracht uit zichzelf voortgebracht.” Met zijn voortbrenging bedoelt Justinus nog niet de uiteindelijke oorsprong van het Woord, maar de voortbrenging of zending omwille van de schepping en openbaring, die voortkomt uit de wil van de Vader. Deze voortbrenging betekent geen scheiding tussen Vader en Zoon, zoals ook het woord dat een mens spreekt in Hem blijft, of zoals een vuur waarmee men een ander aansteekt niet vermindert. Hij gebruikt ook de analogie dat het onmogelijk is het licht van zijn oorsprong, de zon, te scheiden om aan te tonen dat een numeriek onderscheid met de Vader niet betekent dat Hij geen deel meer uitmaakt van Zijn wezen. Gelijksoortige argumenten vinden we bij Tatianus, Theofilus van Antiochië en Athenagoras.

Samenvattend.

  1. Als de apologeten spreken over “de Vader” dan denken zij niet aan de eerste persoon van de H. Drievuldigheid, maar aan de éne godheid, de Schepper. Vader is gewoon de naam van God.
  2. Verder dateren zij de voortbrenging van de Logos, en dus het feit dat Hij Zoon genoemd kan worden, niet bij het begin van zijn ontstaan binnen de godheid, maar vanaf zijn zending of zijn voortbrenging om te scheppen, mens te worden en te verlossen.

3.1.3 De apologeten over de Drievuldigheid.

De apologeten hebben nauwelijks iets geschreven over de H. Geest. Dit is ook begrijpelijk want het probleem dat hen bezighield was de relatie tussen Christus en de godheid. Toch vinden we ook bij hen duidelijk uitingen van hun Christelijk geloof en dat veronderstelt altijd een drieheid. Zo citeert Justinus formules die voortkomen uit doopsel, de Eucharistie of uit officieel catechetisch onderricht. Daarbij verwijst hij vaker naar de H. Geest.

Theophilus van Antiochië (+186) identificeert (anders dan Justinus) de H. Geest met de Wijsheid. Theophilus is de eerste die de term “drieheid” (Τριας) voor de Godheid gebruikt in 181/2. Justinus en de andere apologeten hebben, vergeleken met hun visie op de Zoon, een heel magere gedachtengang over de H. Geest. Zijn belangrijkste functie voor hen lijkt de inspiratie van de profeten te zijn.

3.1.4 Ireneüs (+202).

Ireneüs ziet God als de Vader van alle dingen, die van alle eeuwigheid in zichzelf zijn Woord en Wijsheid bevat. Als God zich manifesteert, in schepping of verlossing dan manifesteert Hij Zijn Woord en Wijsheid als de Zoon en de H. Geest. Zoon en Geest zijn Zijn “handen”, of de middelen van Zijn openbaring. Ireneüs bevestigt dat er maar één God is uit de aard van zijn wezen en natuur, maar dat er tegelijk wat betreft de “economie van onze verlossing Vader en Zoon zijn”. In tegenstelling tot de apologeten, benadrukt hij meer de plaats van de H. Geest. Hij heeft een duidelijkere kijk op de economie en vermijdt met opzet het filosofische jargon dat de apologeten vaak gebruiken. Hij wijst de vergelijking af die de apologeten gebruiken om te spreken over Christus als het woord of de Logos die tegelijk in God blijft en geuit wordt in de schepping, op grond van het feit dat Hij gelijk is met Zijn woord. Hij weigert alle speculaties over het proces waardoor het Woord ontstaan is of is voortgebracht. Hij benadrukt dat het Woord van eeuwigheid bestaat met de Vader.

Ireneüs spreekt over de H. Geest, die hij identificeert met de Wijsheid uit het O.T. Woord en Geest hebben een centrale rol in de schepping en in de Openbaring. De taak van de Zoon is het om de kennis van de Vader openbaar te maken. “Wat onzichtbaar is in de Zoon is de Vader, en wat zichtbaar is in de Vader is de Zoon.” Het was de Zoon die sprak in de theofanieën van het O.T.. De Zoon openbaarde in zijn menswording het beeld van God, waarnaar de mens geschapen is. De H. Geest was het die de profeten inspireerde. Onze heiliging en kennis van de Zoon zijn het werk van de H. Geest.

De Zoon is volledig God, “De Vader is God, en de Zoon is God, want wat voortkomt uit God is God.” Ook de H. Geest, ook al zegt hij het nergens expliciet, is duidelijk goddelijk in zijn ogen, want Hij was de Geest van God, en kwam voort uit Zijn wezen.

3.1.5 De Drievuldigheid in de theologie van de derde eeuw.

3.1.5.1 Hippolytus (+235) en Tertullianus (160-222).

Het trinitarisme, dat tot dan toe met name de drieheid in het werken van God gezien had, riep m.n. in het Westen reactie op. Deze reactie die bij sommigen doorsloeg naar de andere kant en heretisch werd, noemt men het monarchianisme, omdat het de monarchie, het één-zijn van God benadrukte.

Twee theologen hebben hier een centrale plaats: Hippolytus, tegenpaus en martelaar en heilige (+235) en de Noord-Afrikaan Tertullianus (c 160-c 222). Beiden behandelen de kwestie zoals Ireneüs vanuit twee gezichtspunten:

  1. God, zoals Hij in zich is en
  2. zoals Hij zich openbaart in schepping en verlossing. Voor dit laatste gebruikten ze het woord ἐκονομια (economia, dispensatio, bedeling).
ad 1. Beiden zagen God als absoluut één van eeuwigheid, maar ook als een God die in zich en onscheidbaar met hem verbonden ook Zijn rede (woord) en Zijn wijsheid had. Hippolytus bevestigt dat er altijd veelheid in de godheid was: ook al was Hij alleen, want Hij was nooit zonder Zijn woord en wijsheid.
ad 2. De drieheid van God wordt duidelijk in de schepping en verlossing. Hippolytus is huiverig om het Woord ook Zoon te noemen behalve in de context van de incarnatie. Tertullianus is veel explicieter. Hij is de eerste die de uitdrukking Trinitas gebruikt.

Zowel Tertullianus als Hippolytus volgen Ireneüs, maar ze gaan verder dan hem (1) in hun pogingen om de eenheid van de goddelijke kracht of substantie, waarvan de drie uitdrukkingen waren te benadrukken en (2) in hun erkennen van hen als drie personen (προσωπα). Persoon gebruiken ze enkel in de context van de Openbaring, het zou pas veel later ook gebuikt wordt voor het immanente wezen van God.

3.1.5.2 Het monarchianisme.

Op het einde van de eerste eeuw ontstonden reeds de eerste heresieën. Zij waren vooral judaïserend (=verjoodsend) van aard. Zij benadrukten de absolute eenheid van God ten koste van de “drieheid” van personen. Kortom zij leerden dat er slechts één persoon is in God. Tot hen behoorden o.a. "Cerinthus" en op het einde van de 2de eeuw de "Ebionieten". Hun voornaamste bestrijder was wel Ireneüs van Lyon.

Het einde van de 2de en begin van de 3de eeuw zag het begin van twee nieuwe stromingen, die onder de noemer monarchianisme geplaatst worden, omdat ze de goddelijke eenheid benadrukken.

  • a) het ‘’‘adoptianisme’‘’ (of dynamisch monarchianisme), Deze theorie leert dat Christus enkel mens was, waarover de geest van God is neergedaald. Hij werd bij zijn doop in de Jordaan aangenomen (geadopteerd) tot Zoon van God. De oorsprong was Theodotus, een leerverkoper uit Byzantium, die de leer naar Rome bracht rond 190. Hij werd bestreden en veroordeeld door paus Victor (189-98).
  • b) het ‘’‘patripassionisme’‘’ (of modalisme of modalistisch monarchianisme). Deze vrij verspreide opvatting leerde dat in Christus de Vader zelf geleden heeft. Christus was m.a.w. slechts een uiterlijke verschijningsvorm van God de Vader zelf. De leer kwam naar Rome ten tijde van paus Zephyrinus (198-217).

Sabellius (bisschop of priester uit Alexandrië) gaf het modalisme een meer systematische en filosofische vorm, in Rome rond 215 (=sabellianisme). Hij past modalisme ook toe op de H. Geest (ook Hij is slechts een verschijningsvorm van de Vader en geen aparte persoon). Het patripassionisme werden bestreden en veroordeeld door de pausen Callistus (217-22) en Dionysius (259-68).

3.1.5.3 Clemens van Alexandrië (150-216) en Origines (185-254).

In het Oosten en m.n. in Alexandrië vond een verdere ontwikkeling plaats uitgaande van Clemens (150-216/7) en Origines (c 185-c254). Beiden waren beïnvloed door het midden-Platonisme uit hun tijd.

Voor Clemens is God absoluut transcendent, onuitsprekelijk en onbegrijpelijk. Hij is “eenheid, maar boven alle eenheid” en tegelijk omvat Hij alle bestaan. Hij is de Vader (in pre-Niceaanse zin, d.w.z. God), en Hij kan alleen gekend worden door Zijn Woord of de Zoon, die Zijn beeld is of zijn rationaliteit. Zoals de rede (νους) in het midden- en neoplatonisme is Hij tegelijk eenheid en veelheid, die de ideeën van de Vader omvat en de actieve kracht waardoor hij de wereld en de schepselen leidt. Zijn voortbrenging door de Vader is zonder begin. De Geest is het licht dat uitgaat van het Woord, dat verdeeld zonder enige echte verdeeldheid, de gelovigen verlicht. Hij is ook de kracht van het Woord dat de wereld doordringt en de mensen tot God trekt. Deze Drievuldigheid heeft onmiskenbaar Platoonse trekken. Clemens onderscheidt de drie personen. Hij is zeker geen modalist.

Origines plaatst God de Vader in het centrum van zijn systeem, als bron en hoogtepunt van alle bestaan. Hij alleen is God in strikte zin, Hij alleen is ongeboren. Om te bemiddelen tussen Zijn absolute eenheid en de veelheid van de schepselen heeft Hij zijn zoon. Deze staat buiten de tijd en is onveranderlijk enerzijds en wordt voorgebracht door de Vader van eeuwigheid, zodat niet gezegd kan worden dat Hij ooit niet geweest is. Deze Zoon is God, maar zijn godheid is afgeleid. Hij is daarom een “tweede God”. Ten derde (en hier verlaat hij het Platonisme helemaal) is er de H. Geest, “de hoogste van alle dingen die door het Woord tot bestaan gebracht worden. De hoogste in rang van alle wezens die voortgebracht worden door de Vader via de Zoon.”

Vader, Zoon en H. Geest noemt hij drie personen ὑποστασεις. Hij stelt dat ze alle drie persoon zijn van eeuwigheid. Oorspronkelijk waren de begrippen ὑποστασις (persoon) en οὐσια (substantie) synoniemen. Het eerste komt van de Stoa en het andere uit het Platonisme en betekenden: werkelijk bestaan, wezen. Bij Origines krijgt ὑποστασις steeds meer de betekenis van individueel bestaand ding.

3.1.5.4 Het subordinationisme.

Op het einde van de 3de eeuw wordt er door de heresieën niet meer zoveel nadruk gelegd op de eenheid van de drie personen. Dan wordt veeleer het verschil tussen de personen overtrokken: het subordinationisme. Deze heresie leert dat er wel drie personen in God zijn maar dat zij niet alle drie echt God zijn. Volgens hen zijn zij aan elkaar ondergeordend. Veruit de belangrijkste en invloedrijkste vorm van deze dwaling zou het Arianisme zijn.

3.2 De crisis van het Arianisme.

3.2.1 De crisis.

De tijdsomstandigheden zorgden dat een plaatselijke heresie, het Arianisme, gebruikmakend van de nieuwe vrijheid van het Christendom, vanaf 313 een wereldwijde weerklank en verspreiding vond. Het hete hangijzer in het begin van de 4de eeuw was de vraag hoe het Woord en de godheid samenhingen. Was het Woord volledig goddelijk in de volle betekenis van het woord en gelijk aan de Vader of was Hij een schepsel dat weliswaar verheven was boven de rest van de schepping?

Het Arianisme is genoemd naar Arius (* 256/260-336), een priester uit Alexandrië. Zijn uitgangspunt is de bevestiging van de absolute uniciteit en transcendentie van God (=Vader) de niet-voortgebrachte bron van het heelal. We kunnen de leer van Arius in vier punten samenvatten:
(1) De Zoon moet een schepsel zijn, dat God uit het niets geschapen had. Als men over de Zoon zegt dat hij is voortgebracht dan moet dat figuurlijk gelezen worden als maken. Hij is echter wel een volmaakt schepsel, dat niet vergeleken kan worden met de rest van de schepping.
(2) Als een schepsel moet het Woord een begin gehad hebben en kan dus niet eeuwig zijn.
(3) De Zoon heeft geen direct contact met de Vader en geen kennis van Hem. Hij mag dan wel het Woord en de Wijsheid van God zijn toch is hij dit niet wezenlijk en is Hij in staat tot zondigen. Gods Voorzienigheid had echter gezien dat Hij trouw zou blijven en daarom kreeg Hij Gods genade.
(4) “Zoon van God” en “God” zijn enkel eretitels voor Jezus. Als de Arianen over de heilige Drieheid spraken en de drie personen dan waren deze drie, drie totaal verschillende wezens.

Ze beriepen zich o.a. op

  • Spr. 8,22: “De Heer schiep me”;
  • Hand. 2,36: “God heeft Hem én Heer én Christus gemaakt
  • Rom. 8,29: “de eerstgeborene onder velen
  • Kol. 1,15: “de eerstgeborene van heel de schepping
  • Hebr. 3,2; “Die trouw was aan wie Hem gemaakt heeft
  • Joh. 14,28: “De Vader is groter dan ik”, enz.

Samengevat:
Voor Arius was Gods Zoon of het Woord niet eeuwig, maar slechts een verheven schepsel van de Vader, een soort half-god. Zijn leer verspreidde hij m.n. in zijn boek Thaleia (gastmaal) rond 318. Zoals alle heretici simplificeerde hij een moeilijk geloofspunt ten koste van de waarheid. Ondanks zijn bijbels uitgangspunt volgde hij vrijwel kritiekloos het spoor van het midden-Platonisme dat met zijn gedachtegoed zijn tijd beheerste. Zoals zo vele heretici ontleende hij zijn denkinstrument aan zijn tijd en niet aan de Christelijke traditie.

Bisschop Alexander van Nicea riep Arius ter orde. In 318, 319 en 323 komt in Alexandrië op een aantal synodes reactie op van bisschop Alexander van Alexandrië (+328). Arius wordt uit de kerk gestoten, maar zoekt steun met name in Syrië. Er ontstaat er een enorme beroering, m.n. in het oosten.

3.2.2 Het eerste Oecumenisch Concilie te Nicea (325).

Keizer Constantijn (+ 337) krijgt na de capitulatie van zijn medekeizer Licinius in 324 interesse voor deze zaak en roept alle bisschoppen op voor een samenkomst te Nicea in 325. Paus Silvester (314-35) is afwezig wegens ouderdom. Hij wordt vertegenwoordigd door twee priesters Vitus en Vincetius, die naast de voorzitter Ossius van Cordoba plaatsnemen. Er nemen 250 tot 300 bisschoppen aan deel. De leiders van de orthodoxe partij zijn Alexander van Alexandrië zijn diaken Athanasius (295-373). Door hun inzet wordt Arius samen met 17 bisschoppen veroordeeld en uit de Kerk gesloten. Aan de apostolische geloofsbelijdenis uit het einde van de tweede eeuw voegt het concilie toe: (over de Zoon): Vóór alle tijden geboren uit de Vader. God uit God, Licht uit Licht, ware God uit de ware God. Geboren niet geschapen, één in wezen (ὁμοουσιος) met de Vader, door wie alles geschapen is.
Met deze tekst wil het concilie uitdrukken dat de Zoon geen schepsel is, maar dat Hij God is net zoals de Vader en geen tweederangs God.

3.2.3 De strijd na Nicea.

Na Nicea houdt de strijd niet op. Er bestaan te diepe theologische verschillen tussen de verschillende groepen. Diverse bisschoppen stemden om politieke redenen toe in de geloofsbelijdenis, maar hielden vast aan een eigen uitleg. De nieuwe relatie met de staat, waarin de keizer zich met theologische vragen bemoeide verscherpte deze tegenstellingen. Na het concilie begon een strijd die zou duren tot de dood van keizer Constantius in 361.

3.2.3.1 Eerste fase, tijdens het leven van keizer Constantijn (+337).

Deze periode is een tijd van reactie tegen Nicea. De leider van de anti-Niceaanse partij is Eusebius van Nicomedia, vandaar ook wel de Eusebianen. De afgezette Arianen keren terug naar hun bisschopszetel. Ook al was de geloofsbelijdenis van Nicea tijdens het leven van Constantijn heilig, toch wisten zijn tegenstanders Athanasius het leven zuur te maken. Athanasius, die vanaf 328 patriarch van Alexandrië was, moest in 335 voor de eerste maal in ballingschap gaan. Hij ging naar Trier. Daar bleef hij tot aan de dood van keizer Constantijn op 22 mei 337.
Arius wordt door de keizer gerehabiliteerd en zijn terugkeer in wordt Alexandrië voorbereid. Hij sterft totaal onverwacht op de avond van de geplande triomfantelijke intocht in Constantinopel in 336.

3.2.3.2 Tweede fase, Constantius (O.) (337-361) en Constans (W.) (337-350).

Na de dood van Constantijn komen er verschillende keizers. Constans in het Westen steunt de orthodoxen. Hij sterft al in 350. Constantius in het Oosten (337-361), gaat de Niceanen of orthodoxen vervolgen. Na de dood van Constantijn keerde Athanasius op 23 november 337(338) terug in Alexandrië.

Na afgezet te zijn door de het wijdingsconcilie van Antiochië vertrok Athanasius in maart 339 voor de tweede keer in ballingschap en nu naar Rome. De synode van Rome in 341 (zonder de weigerende oosterse bisschoppen) o.l.v. paus Julius I (337-52) sprak Athanasius vrij van alle beschuldigingen. Athanasius doet vervolgens een beroep op keizer Constans. Deze roept de oosterse en westerse bisschoppen op naar Sardica (Sofia) te komen. Er komen 170 of 250 bisschoppen voor deze synode in 343 (of 342). De Arianen worden veroordeeld. De Oosterse bisschoppen onderbraken het concilie, met een smoes en verzamelden zich weer op Oosterse bodem, te Philippolis 343 (of 342). Zij veroordeelden paus Julius, zijn gezant Ossius en de leidende westerse bisschoppen.

In 344 zond keizer Constans (in Westen en orthodox) Vincentius van Capua en Euphratas van Keulen naar keizer Constantius. Zij gingen opheffing vragen van sancties tegen bisschoppen. Hun succes nog versneld omdat een doorzichtige poging om hen op moreel vlak te compromitteren mislukte. Op 25 juni 345 keert Athanasius terug naar Alexandrië.

In 345 was er ook een synode in Milaan, waarvoor een nieuwe geloofsbelijdenis (het “lange lijnen Credo”) werd voorbereid, en waarin men het oosterse standpunt aan het westen wilde uitleggen, waarin scrupuleus de termen ὁμοουσιος en ὑποστασις vermeden werden.

Na de vroegtijdige dood van Constans in 350 probeerde Constantius het rijk weer te verenigen rond het arianisme. Verschillende synodes veroordelen de Niceanen: Tyrus 335, Antiochië 339 (341).

De triomf van het Arianisme kwam er na de overwinning van Constantius over de usurpator Magnentius in het westen in augustus 353. Deze was nu tot 361 alleenheerser over Oost en West. Hij was een tegenstander van Nicea. Op de synode van Arles (353) werd Athanasius veroordeeld uit angst voor keizer Constantius en door vrijwel alle bisschoppen afgezet. Enkel Paulinus van Trier weigert en wordt verbannen. Paus Liberius is ontzet te vernemen dat zijn gezanten ondertekend hebben. Hij protesteert en vraagt aan keizer Constantius (die te Arles verblijft) een nieuw concilie, dit wordt gehouden in Milaan.

In Milaan (355) veroordelen 300 bisschoppen Athanasius. Slechts drie (later zeven) bisschoppen weigeren: Lucifer van Cagliari, Eusebius van Vercelli en Dionysius van Milaan. Ook Paus Liberius weigert en moet in ballingschap. Hilarius getuigt dat hij pas na zijn vertrek in ballingschap in 356 voor de eerste keer over de geloofsbelijdenis van Nicea hoorde spreken. Alle trouwe bisschoppen worden verbannen. Ook Athanasius werd in 356 met geweld van zijn zetel verdreven

3.2.3.3 De derde fase, het hoogtepunt en het uiteenvallen van de Arianen.

Vanaf 357 (dus nog vóór de dood van Constantius in 361), en op het toppunt van zijn macht, begint het arianisme uiteen te vallen in vele soorten groepen (een kenmerk van elke dwaalleer):

  • Enkelen hielden dat de Zoon geen beeld is van de Vader: de radicale arianen, omdat zij leerden dat de zoon niet gelijk is aan de Vader. Hun heefhoofdige leiders zijn Aetius van Antiochië (±330-366) en Eunomius van Cyrinus, (+392/395). Zij domineren de synode van Sirmium in 357 en de synode van Antiochië in 358. Door hun radicaal optreden veroorzaken zij splitsing in hun eigen rangen.
  • Weer anderen (de homoianen) hielden dat er toch een beperkte gelijkenis (ὁμοιος) tussen de Vader en de Zoon bestond. De synodes te Nicé in Thracië (359) en Constantinopel (360) namen homoiaanse geloofsbelijdenissen aan. Zij waren minder radicaal dan de groep rond Eunomius, waartegen zij reageerden na Sirmium (357), op een synode in Ancyra in 358.
  • De homoiousianen leerden dat de Zoon niet één in wezen is (ὁμοουσιος) met de Vader, maar op Hem gelijkt (ὁμοιουσιος). Deze term werd gebruikt door gematigde arianen, die zich schaarden achter Basilius van Ancyra. Zij produceerden te Ancyra in 358 de eerste homoiousiaanse geloofsbelijdenis. Het was een compromisformule, die ook werd aangenomen op de vooral westerse synode van Sirmium (de derde) 357 (veroordeeld door paus Damasus). Hier werd zowel het gebruik van ὁμοουσιος als van ὁμοιουσιος verboden. Hilarius merkt op: zo wordt de godheid van de Zoon ontkend. Hij noemt het blasfemie. Het Westen veroordeelde het vervolgens. Voor de gematigde Arianen uit het Oosten was het de aanleiding om zich af te keren van Eunomius.

In mei 359 ontwerpt een kleine groep in Sirmium de zogenaamde “gedateerde” geloofsbelijdenis, ter voorbereiding van de dubbelsynode te Rimini en Seleucië (op bevel van keizer in 359). Het is een “homoiaanse” geloofsbelijdenis. De 400 westerse bisschoppen hernieuwden eerst te Rimini de geloofsbelijdenis van Nicea en veroordeelden de compromisformule van de “gedateerde geloofsbelijdenis”. De keizer oefende veel druk uit opdat men het semi-ariaanse standpunt (Vader en Zoon lijken op elkaar) zou onderschrijven. Een aangepaste versie van de “gedateerde geloofsbelijdenis” werd onder grote druk ondertekend door een gezantschap van de bisschoppen te Nicé (10 oktober 359) in Thracië terwijl de synode nog bijeen was. Ook de oosterse bisschoppen ondertekenden dat homoiaanse credo (verbod van ὁμοουσιος en ὁμοιουσιος) onder grote druk op 31 dec. 359. Het was een complete homoiaanse overwinning.

Paus Liberius (352-66), Hilarius van Poitiers (ca 312-67) en enkele andere bisschoppen weigerden te ondertekenen. Deze droeve tijd ontlokte aan Hiëronymus in 359 de uitspraak: “De hele aarde ontwaakte en ontdekte dat zij Ariaans geworden was”. Het arianisme lijkt gewonnen te hebben in het Oosten.

Keizer Julianus de afvallige (361-363) geeft een algemene amnestie en in 362 keren Athanasius (na zes jaar) en de meeste verbannen bisschoppen terug naar hun zetels. Op 23 oktober moet Athanasius opnieuw vluchten omdat de keizer voor zijn ijver vreesde. Maar op 26 juni 363 sterft keizer Julianus. Athanasius keert daarop terug naar Alexandrië, waar hij in 362 de synode van Alexandrië hield.

Op 5 mei 364 beveelt de nieuwe keizer Valens (Oosten en Ariaan 364-378) dat alle bisschoppen verbannen onder Constantius opnieuw moesten vertrekken. In oosten is er een hevige vervolging van Niceanen én homoiousianen. In het westen was er de orthodoxe keizer Valentianus (364-375). De vervolging onder Valens bracht vele homoianen ertoe weer band met paus Liberius en zijn opvolger paus Damasus (366-384) te herstellen. Op 5 oktober 364 moest Athanasius weer vluchten. Athanasius zat vervolgen vier maanden ondergedoken in een van de buitenwijken van zijn stad. Im februari 366 mocht hij vanwege de verontwaardiging van het volk terugkeren.

3.2.4 Het keerpunt in de strijd tegen het Arianisme.

  • 1. Het uiteenvallen van het arianisme in diverse partijen vanaf 357 bespoedigde zijn ondergang.
  • 2. Pas de dood van keizer Constantius in 361 bracht een ommekeer teweeg. Julianus de afvallige (361-3) gaf de Kerk religieuze vrijheid, waardoor de verbannen bisschoppen konden terugkeren.
  • 3. Anderhalf decennium later onder de katholiek-gezinde keizer Gratianus (375-383) en
  • 4. onder paus Damasus (366-384) begint men het arianisme definitief te overwinnen. (In het oosten zit men nog tot 378 met een ariaanse keizer, nl. Valens.)
  • 5. In Milaan is vanaf 7 december 374 de zeer invloedrijke Ambrosius (+397) bisschop. Hij is een felle bestrijder van het arianisme.
  • 6. In het oosten zijn het de drie Cappadociërs: Basilius (330-379), Gregorius van Nazianze (330-390) en Gregorius van Nyssa (334-394) die door hun theologisch werk een aantal problemen uit de weg ruimen en uitleg geven van de termen: “één wezen, drie personen”. Basilius wist bij keizer Valens te bewerken dat de vervolging van de katholieken ophield. In 379 werd Theodosius keizer in het Oosten. Hij was katholiek, evenals Valentinianus (375-383). We mogen opmerken dat het volk (leken en lagere clerus) in het algemeen trouw bleef aan het orthodoxe geloof.

3.2.5 Athanasius en de Niceanen.

3.2.5.1 De theologie van Athanasius.

Het is opvallend dat bij Athanasius filosofische en kosmologische overwegingen vrijwel geen rol spelen. Hij concentreert zich volledig op de Openbaring. Zijn leidende gedachte is de verlossing. De Vader gebruikte de Zoon om ons te scheppen, maar het is absurd te denken dat de Vader per se een middelaar nodig had. Zijn leer over het Woord is duidelijk. God kon nooit zonder Zijn Woord zijn, daarom is de Zoon van eeuwig. Als “nakomeling” van de Vader moet hij anders zijn dan de Vader. Hun onderscheid is dus van eeuwigheid en komt niet voort uit de economie. Omdat de Zoon uit de Vader voortkomt zijn ze van dezelfde substantie en is de zoon van een andere natuur dan de geschapen dingen. Vader en Zoon zijn onderscheiden, maar zijn ook één en hebben één identiteit Hij zegt “De Zoon als nakomeling is natuurlijk anders dan de Vader, maar als God is Hij één en dezelfde ...”.

Bij Athanasius zijn er twee kanten die mekaar in evenwicht houden. (1) Enerzijds is hij evengoed als de Arianen doordrongen van de eenheid van God, één principe, één monade en de overtuiging dat de analogie tussen het eindige en het oneindige, dit uiteindelijk niet opgaat vanwege de pure geestelijkheid van het laatste, waardoor men Vader en Zoon kan zien als één substantie, die zich op twee wijzen presenteert. En (2) anderzijds is hij ook doordrongen van het onderscheid tussen beiden.

Dat velen terugkeerden tot het ὁμοουσιον is vooral het werk van Athanasius en Hilarius van Poitiers, deze laatste verbleef van 356-359 in Klein-Azië en leerde daar de Oosterse discussie goed kennen. Beiden wisten dat de kloof tussen de homoiousianen en henzelf niet zo heel diep was. Een verdere stap was het concilie van Alexandrië in 362. Hier werd erkend dat uiteindelijk niet de term die men gebruikt (ὀμοουσιος) maar wat er mee bedoeld wordt van belang is. Hier werd ook de leer van de drie hypostasen, lees personen, die tot op dat ogenblik verdacht was bij de Niceanen aanvaard, op voorwaarde dat hiermee niet het Ariaanse “echt verschillend en in wezen verschillend” bedoeld werd, maar het separate bestaan van de drie personen in de consubstantiële Drie-eenheid. Athanasius verdedigt tegelijk de inhoud en het nut van ὀμοουσιος.

3.3 De leer over de H. Geest.

Athanasius zag dat een groot deel van de arianen de godheid van de H. Geest begonnen te ontkennen rond 355. Zij werden pneumatomachen of geestbestrijders. In het kielzog van de discussie over het wezen van de Zoon, moest de vraag naar de H. Geest wel aan bod komen. Athanasius luidde als eerste de noodklok in 359 of 360 in vier brieven aan bisschop Serapion van Thmius. Athanasius leert dat de H. Geest werkelijk God is, één in wezen met Vader en Zoon. Op twee synodes in Alexandrië in 362 en 363 treedt hij tegen hen op.

M.n. de Cappadociërs zullen de godheid van de H. Geest verdedigen. Basilius stelt dat de H. Geest “één is met de goddelijke en gezegende natuur”, en niet te scheiden van Vader en Zoon. Hij stelt dat de Geest dezelfde eer, glorie en aanbidding moet krijgen als de Vader en de Zoon. Zijn argumenten zijn: (1) het getuigenis van de Schrift over de grootheid en waardigheid van de H. Geest, over de kracht en omvang van Zijn werking; (2) zijn verbondenheid met de Vader en de Zoon, in alles wat zij doen, m.n. in het werk van heiliging en zaligmaking; en (3) Zijn persoonlijke relatie met Vader en Zoon.

Een opwerping die de Cappadociërs moesten beantwoorden was, als de Geest ook ὀμοουσιος is met de Vader, heeft Die dan geen twee zonen? M.a.w. de vraag naar de oorsprong van de H. Geest. Gregorius van Nyssa lost deze vraag op: De H. Geest is uit God en uit Christus. Hij komt voort uit de Vader en ontvangt van de Zoon. Het onderscheid tussen de drie personen volgt uit hun oorsprong: de Vader is de oorzaak en de beide anderen zijn veroorzaakt. De twee veroorzaakte personen worden onderscheiden, één is direct door de Vader voortgebracht, terwijl de ander uit de Vader voortkomt via een bemiddelaar. Hier hebben we de oorsprong van de klassieke Oosterse verwoording “uit de Vader, door de Zoon”.

3.3.1 Het tweede Oecumenisch Concilie te Constantinopel (381).

De keizers Gratianus (375-383) en Theodosius I (379-395) uit het oosten riepen in mei 381 voor de tweede maal alle bisschoppen van het oosten op voor een concilie te Constantinopel. De bedoeling was om Nicea te bevestigen. Circa 150 concilievaders veroordelen Macedonius van Constantinopel met zijn 36 aanhangers (pneumatomachen). Aan het credo van Nicea voegen zij toe, over de H. Geest:

Die Heer is en het leven geeft, die voortkomt uit de Vader (niet: en de Zoon), die met de Vader en de Zoon tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt, die gesproken heeft door de profeten.”

De leer die hier verdedigd wordt is die van Athanasius, zij het dat men een beter onderscheid maakte tussen wezen (οὐσια) en persoon (ὑποστασις). Met het “Heer-zijn” van de H. Geest willen zij uitdrukken dat de Hij God is, net zoals de Vader en de Zoon, zoals Basilius reeds afleidde uit 1 Thes. 3,13; 2 Thess. 3,5; 2 Kor. 3,17.

“die met de Vader en de Zoon tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt”. Aanbidding is de eigenlijke daad van godsaanbidding en eerbewijs/verheerlijking, dit is de cultische aanbidding in de liturgie.

Het concilie bracht de lange discussie over de Drievuldigheid hier tot een afsluiting en bevestigt uitdrukkelijk de geloofsbelijdenis van Nicea (canon 4-7)

4 Opmerking, het ‘’Filioque’‘.

En de Zoon” of “Filioque” staat niet in de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel. Het is ontstaan in het westen, vermoedelijk in Spanje in de vijfde eeuw. Vandaar breidde het zich uit over Spanje en Frankrijk. Het werd pas in het credo in Rome opgenomen in de elfde eeuw onder paus Benedictus VIII (1012-24).

Persoonlijke instellingen
Navigatie